Under Pressure: Wat maakt je vatbaar voor bezwijken onder druk?

De bal ligt op de stip. Licht zwetend doet de voetballer een paar stappen naar achteren en kijkt om zich heen. Het publiek in het stadion dat zojuist nog enthousiast stond te joelen kijkt de voetballer nu vol spanning aan. Terwijl de zenuwen door zijn lijf gieren werpt de voetballer een korte blik op het doel, en focust zich daarna op de bal. De vier stappen naar voren lijken als een waas voorbij te gaan. Zijn voet raakt de bal. De bal gaat over, en daarmee is ook de kans op het kampioenschap over en uit.

ball-1834701_1920

De voetballer in het bovenstaande verhaal is, zoals we dat noemen, bezweken onder druk. Hij wilde zo graag scoren, zeker nu er zo veel op het spel stond, maar presteerde daardoor minder goed dan hij zou kunnen. Mijn zus Ilse van de Groep heeft onlangs onderzoek gedaan naar dit psychologische fenomeen en heeft hierover een artikel geschreven dat in september is verschenen. In deze blog lezen jullie een interview met haar, het eerste in een reeks interviews met onderzoekers over hun nieuwste ontdekkingen. Hoe komt het dat mensen bezwijken onder druk?  En is de ene persoon daar vatbaarder voor dan de ander?

Wat hebben jullie tijdens dit onderzoek precies onderzocht?

“In ons leven bevinden we ons regelmatig in situaties waarbij goede prestaties ons iets opleveren, zoals sociale of financiële beloningen. Als je promotie maakt of een belangrijke sportwedstrijd wint, levert dat je meer aanzien op en vaak ook een flinke som geld. Hoewel er regelmatig wordt aangenomen dat mensen goed presteren in situaties waarbij er veel op het spel staat, is het tegendeel juist waar. Als iemand veel belang heeft bij een goede prestatie, zoals de voetballer in het bovenstaande voorbeeld, kan er  ‘choking under pressure’, of ‘bezwijken onder druk’ ontstaan, waarbij hij minder goed presteert dan hij eigenlijk zou kunnen. Eerder psychologisch onderzoek heeft laten zien dat deze verminderde prestatie wordt veroorzaakt doordat je werkgeheugen tijdelijk minder goed werkt je je aandacht minder goed kan richten. Het is echter nog onduidelijk hoe dit precies werkt in je lichaam: welke (neuro)biologische mechanismen liggen er ten grondslag aan bezwijken onder druk? Daarom hebben wij gekeken naar twee manieren waarop mensen op biologisch vlak van elkaar kunnen verschillen die mensen mogelijk vatbaarder maken voor slechtere prestaties als er veel op het spel staat. We noemen dat ook wel individuele verschillen.”

Naar welke individuele verschillen hebben jullie gekeken?

“Allereerst hebben we gekeken naar baseline dopaminewaarden in de middenhersenen. Dopamine is een neurotransmitter, een soort signaalstof in de hersenen die een belangrijke rol lijkt te spelen in de balans tussen flexibiliteit en stabiliteit in je denken. Die balans is belangrijk, want om optimaal te kunnen presteren wil je bijvoorbeeld wel informatie binnen krijgen die belangrijk is om je doel te bereiken, maar geen afleidende gedachten hebben. Eerder onderzoek heeft laten zien dat de balans tussen flexibiliteit en stabiliteit in je denken afhankelijk is van dopamineniveaus in twee hersengebieden, het striatum en de prefrontale cortex. Wat heel interessant is aan deze niveaus, is dat ze vermoedelijk een omgekeerde U-vorm relatie hebben met cognitieve controle. Waar te hoge of lage niveaus van dopamine het cognitieve functioneren verslechteren, lijken gemiddelde dopamineniveaus te zorgen voor een optimale balans en dus ook een optimale prestatie. Dit idee impliceert ook dat je iemand kan laten bezwijken onder druk door dopaminewaardes boven het optimale punt te brengen. Omdat iedereen verschillende beginwaardes heeft, verschilt het hoe eenvoudig het is om iemands waarden boven het optimale punt te krijgen.

Ten tweede hebben we gekeken naar hemisferische asymmetrie (i.e., asymmetrie tussen hersenhelften). Bezwijken onder druk gaat vaak samen met subjectieve gevoelens van angst en afleidende gedachten.  Eerder onderzoek heeft laten zien dat zulke subjectieve ervaringen veroorzaakt kunnen worden door een disbalans tussen twee systemen in de hersenen: een doelgericht aandachtsysteem en een stimulus-gedreven aandachtsysteem, waarbij dit laatste systeem de overhand krijgt. Als dit stimulus-gedreven systeem de overhand krijgt lukt het niet meer goed om je aandacht op een optimale manier te verdelen over alle aspecten van een situatie. Het doelgerichte systeem bevindt zich vooral in de voorkant van de linkerhersenhelft, terwijl het stimulus-gedreven systeem zich vooral aan de rechtervoorkant bevindt. Als er inderdaad een disbalans is tussen deze systemen tijdens bezwijken onder druk, zou je relatief meer activiteit verwachten in de rechtervoorkant van de hersenen ten opzichte van de linkervoorkant.”

brain-2062057_1920.jpg

Assymetrie tussen hersenhelften

Hoe hebben jullie onderzocht of deze individuele verschillen een rol spelen bij bezwijken onder druk?

“We hebben gebruikt gemaakt van een task switching paradigma, waarbij de proefpersonen steeds een letter en een cijfer te zien kregen en vervolgens één van twee taken moesten uitvoeren: 1) beoordelen of de letter een klinker of een medeklinker is, of 2) beoordelen of het cijfer even of oneven is. Wat je vaak bij zo’n taak ziet, is dat proefpersonen slechter presteren als ze van taak moeten wisselen (switch trials), ten opzichte van trials waarin ze dezelfde taak moeten uitvoeren als de voorgaande trial (repeat trials). Eerder onderzoek heeft laten zien dat zo’n task switching paradigma geschikt is om veranderingen in dopamineniveaus en hemispherische asymmetrie vast te stellen.

Daarnaast maakten we gebruik van een manier om bezwijken onder druk teweeg te brengen bij de participanten. De helft van de proefpersonen kreeg te horen dat ze geld zouden verliezen als ze niet goed genoeg presteerden (experimentele groep), terwijl de andere helft te horen kreeg dat ze geld konden verliezen, maar dat dit niet afhing van hun prestatie (controlegroep).”

Hoe meet je dopaminewaarden en hemisferische asymmetrie?

“Uit eerder onderzoek is gebleken dat dopaminewaarden betrouwbaar kunnen worden geschat op een indirecte manier door bij te houden hoe vaak iemand in een bepaalde periode knippert (Eye Blink Rate, EBR). Een belangrijk voordeel van deze methode is dat het niet-invasief is (er komen bijvoorbeeld geen naalden aan te pas), wat fijner is voor de proefpersoon.  De hemisferische asymmetrie werd gemeten door middel van EEG, een techniek waarbij je hersengolven meet met behulp van elektroden.”

Wat verwachtten jullie van het onderzoek?

  1. “We verwachtten dat participanten minder goed zouden presteren wanneer het te verdienen geldbedrag afhankelijk was van hun prestatie dan wanneer het niet afhankelijk was van prestatie.
  2. Daarnaast verwachtten we dat mensen met een hoge EBR (reflecteert een hoog dopamineniveau) gevoeliger zouden zijn voor een incentive-gedreven verminderde prestatie in vergelijking met mensen met een lage EBR.
  3. Tenslotte verwachtten we dat participanten die een hogere activiteit hadden in de rechter frontale cortex (tijdens de baseline meting) gevoeliger zouden zijn voor een incentive-gedreven verminderde prestatie.”

Wat hebben jullie gevonden en wat hebben die bevindingen te betekenen?

  1. “Bij participanten in de experimentele conditie vonden we, zoals verwacht, een verslechterde prestatie (op de switch trials), direct na de manipulatie. Daarna leken ze zich echter snel te herstellen.
  2. Participanten met een lage EBR gingen vaak beter presteren na de hen was verteld dat ze geld konden verliezen afhankelijk van hun prestatie, terwijl er bij proefpersonen met een hoge EBR geen verbetering of verslechtering te zien was. Technisch gezien levert ons onderzoek dus geen direct bewijs voor het idee dat dopamine een rol speelt bij bezwijken onder druk, omdat we geen verslechterde prestatie hebben gevonden. Toch denken we dat onze bevinding wel gerelateerd is aan bezwijken onder druk, omdat er sprake is van een suboptimale prestatie in een situatie waarin er veel op het spel staat. In ons onderzoek lijkt EBR met name gerelateerd te zijn aan langdurige effecten van incentives, terwijl de manipulatie op gedragsniveau voor een heel kortdurend effect van incentives zorgde. Deze bevinding komt overeen met eerder onderzoek dat suggereert dat dopamine-gerelateerde effecten verschillende tijdsduren kunnen hebben. Dit resultaat laat duidelijk zien dat er meer onderzoek nodig is om de mechanismes die ten grondslag liggen aan incentive-gedreven prestatieverslechtering goed te kunnen begrijpen.
  3. We hebben geen bewijs gevonden voor het idee dat hemisferische asymmetrie invloed heeft op incentive-gedreven prestatieverslechtering. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat prestatieverslechtering mogelijk meer te maken heeft met veranderingen in connectiviteit of verwerkingsefficiëntie van de hersenen, in plaats van veranderingen in activatie.”

Wat kunnen we op basis van het onderzoek concluderen?

“Dit onderzoek geeft ons meer inzicht in de neuro-biologische mechanismes die ten grondslag liggen aan slechte prestaties als er veel op het spel staat. Het onvermogen om prestaties te verbeteren in zo’n situatie lijkt te maken te hebben met individuele verschillen in Eye Blink Rate. Hoewel deze bevinding impliceert dat dopamine een rol speelt bij slechtere prestaties wanneer er veel op het spel staat, is er meer onderzoek nodig om te achterhalen hoe dat precies zou werken.”

Nieuwsgierig geworden? Lees Ilse’s wetenschappelijke artikel tot 14 oktober gratis door op de volgende link te klikken: https://authors.elsevier.com/a/1VcbtcAwkOAF~

Advertenties

Drie tips om productief te blijven in de zomer

Juli. De zon brandt op de ramen van het uitgestorven kantoor. Buiten hoor je vogels tjilpen en kinderen spelen, en social media staan vol met mensen die hun koffers hebben gepakt en naar de meest exotische bestemmingen zijn gevlogen. Ondertussen zit jij licht zwetend achter je bureau, en de dagen lijken alsmaar langer te duren. Je probeert je aandacht bij het werk te houden, en niet weg te dromen bij gedachten aan zon, zee en strand.

Grote kans dat je het bovenstaande scenario herkent. Hoe leuk je je werk ook vindt, in de zomer is het soms moeilijk om gefocust te blijven en hard te werken. Daarom in deze blog: 3 tips om tijdens de zomer gemotiveerd en productief te blijven tijdens je werk!

Tip 1: Neem vakantie

Die had je niet verwacht hè? Toch kan het nemen van vakantie er wel degelijk toe bijdragen dat je goed functioneert op je werk – ook tijdens de zomer. Er zijn talloze onderzoeken die laten zien dat vakantie nemen goed is voor je productiviteit en je (mentale) gezondheid. Daarnaast weten we allemaal dat het goed voor je is om soms even pauze te nemen van je werk – doe je dat niet, dan ligt er een burnout op de loer, met alle gevolgen van dien. Grote kans dat je nog wat vakantiedagen over hebt – uit een onderzoek van AWVN is gebleken dat Nederlanders gemiddeld maar liefst 14.5 wettelijke vakantiedagen niet benutten. Daarnaast blijkt uit een onderzoek van Expedia dat 44% van de Nederlanders het gevoel heeft onvoldoende vakantie te hebben gehad, en eerder onderzoek heeft laten zien dat dat negatieve gevolgen heeft voor je functioneren op werk: het vergroot de kans op fouten en ontneemt je het plezier in je werk. Vooral nemen dus, die vakantie! Zelfs een break van 1 of 2 dagen kan ervoor zorgen dat je weer opgeladen en energiek aan de slag kan op de werkvloer. Het is dan natuurlijk wel zaak om effectief met de tijd na je vakantie om te gaan – snel door naar tip 2 dus!

StockSnap_FG3EB2F64Q

Tip 1: Neem vakantie!

Tip 2: Wissel van werkomgeving

Het zou goed kunnen dat de temperatuur op je kantoor ertoe bijdraagt dat je je minder productief voelt – als er bijvoorbeeld geen airco is kan de temperatuur zodanig stijgen dat je je sloom en moe voelt, maar het kan ook vervelend zijn als het op kantoor heel koud is terwijl het buiten dertig graden is. Zoek daarom een omgeving op waarvan je weet dat je je er prettig voelt en dat je er hard kan werken – of dat nu thuis is, op een andere plek in het kantoor, of zelfs buiten: tegenwoordig kun je je laptop of een ander apparaat bijna overal verbinden met WiFi. Heb je een meeting gepland? Kijk eens of je collega’s buiten willen vergaderen. Mocht het moeilijk zijn om ze te overtuigen, dan kun je ze altijd dit onderzoek laten zien waaruit blijkt dat vitamine D voor meer energie zou zorgen: een win-win situatie dus, een vergadering in het zonnetje!

rawpixel-com-274860.jpg

Tip 2: Wissel van werkomgeving

Tip 3: Begin je dag met makkelijke taken

‘Succes leidt tot meer succes’. Ooit gehoord van deze uitspraak? Onderzoekers hebben getest of deze uitspraak waar is, en ze ontdekten dat eerdere successen inderdaad leiden tot meer vervolg-successen. Het goede nieuws is dat die eerdere successen geen grote prestaties hoeven te zijn – ook bescheiden succesjes blijken voldoende om een soort domino-effect van succesen in werking te stellen. Begin je dag dus met makkelijke taken, en voor je het weet stapel je prestatie op prestatie! Een ander voordeel van het uitvoeren van simpelere taken in de zomer is dat dit je kan helpen om realistischere doelen te stellen en te bereiken. Het is niet onvoorstelbaar dat beginnen aan een lang, ingewikkeld en vermoeiend project je alleen maar verder demotiveert in een tijd waarin iedereen lol lijkt te maken behalve jij. De zomer is de ideale tijd om kleine klusjes uit de kast te halen die je het hele jaar voor je uit hebt geschoven totdat je het rustiger zou hebben. Het zou het allermooiste zijn om nu klusjes te doen waar je later in het jaar geen tijd voor hebt, maar die je op dat moment wel helpen. Zo weet ik bijvoorbeeld dat ik na de zomer onderwijs ga geven, en ik dan minder tijd heb om de praktische zaken voor een onderzoeksproject te regelen – de zomer is een ideale tijd om veel van deze klusjes vast uit te voeren.

StockSnap_OR7D4PANCK.jpg

Tip 3: Begin met makkelijke taken

Mocht het werken echt niet lukken..

Ik hoop dat de bovenstaande tips je helpen om vol energie en motivatie aan het werk te gaan tijdens de zomer. Mocht het werken toch niet echt lukken, en merk je dat je je taken telkens voor je uit blijft schuiven… misschien kun je dan troost vinden in het onderstaande filmpje dat laat zien hoe uitstelgedrag soms juist kan leiden tot creativiteit en succes.

 

 

Zie je eruit als je naam?

Als ik denk aan de naam Bob, dan zie ik een man voor me van middelbare leeftijd met een rond gezicht, en kort, donker haar. Misschien heb je ook wel eens ervaren dat je vond dat iemand eruit zag als een typische Henk, Laura, Anouk of Inge. Kan het zo zijn dat mensen eruit zien als hun naam? En wat betekent dat voor toekomstige ouders die een naam zoeken voor hun spruit?

Wie is het?

Nieuw onderzoek laat zien dat dit inderdaad het geval zou kunnen zijn, en dit mogelijk iets te maken heeft met bepaalde stereotypes in onze cultuur. Tijdens meerdere experimenten lieten wetenschappers honderden mensen uit Frankrijk en Israël foto’s zien van gezichten. De deelnemers kregen de opdracht om uit een lijst van vier of vijf namen de naam te kiezen die zij het beste bij het gezicht vonden passen. In al die experimenten waren de deelnemers beter in het voorspellen van de juiste naam dan op basis van kans verwacht zou mogen worden (zij voorspelden 25 tot 40% van de namen goed, terwijl je op basis van kans 20 tot 25% zou verwachten). Dit was zelfs het geval wanneer er werd gecorrigeerd voor etniciteit of leeftijd.

Cultuurgebonden

Hoe zou het komen dat mensen zo goed zijn in het voorspellen van iemands naam op basis van een gezicht? De onderzoekers denken dat dit verschijnsel gedeeltelijk verklaard kan worden door cultuur-specifieke stereotypes die mensen hebben bij bepaalde namen. Het was namelijk zo dat de Franse deelnemers vooral de Franse namen goed konden voorspellen, terwijl Israëlische deelnemers juist de Israëlische namen beter konden voorspellen. Voor Fransen was het dus makkelijker om te raden of iemand Pierre of Louise heette, dan Avraham of Yael, terwijl voor Israëliërs het omgekeerde het geval was. Voor ons Nederlanders zou het waarschijnlijk makkelijker zijn om te raden of iemand Piet of Anita heet, dan om de naam Benedetto of Rafaella (Italiaanse namen) te verbinden aan het juiste gezicht.

Computer kan het ook

De onderzoekers wilden zeker weten of het echt de gezichten zijn die de informatie bevatten op basis waarvan je de naam kan raden – komt het niet gewoon omdat mensen gebiased zijn (d.w.z. vooroordelen hebben op basis van bijvoorbeeld persoonlijke of historische kennis)? Om hier zeker van te zijn trainden de onderzoekers een computer in het gebruik van een algoritme om namen aan gezichten te koppelen. De computer maakte na het aanleren van het algoritme, net als mensen, betere voorspellingen dan op basis van kans te verwachten viel (tussen de 54 tot 64% accurate voorspellingen, waar er op basis van kans 50% verwacht kon worden). De onderzoekers concludeerden dan ook dat de goede voorspellingen waarschijnlijk echt toe te schrijven zijn aan de informatie een gezicht overdraagt, en in die zin niet specifiek zijn voor menselijke waarneming.

Hoe kan een gezicht een naam uitstralen?

Maar hoe kan een gezicht ons nou het gevoel geven dat er een bepaalde naam bijhoort? De onderzoekers denken dat het krijgen van een bepaalde naam kan werken als een self-fulfilling prophecy (een zelf-vervullende voorspelling). Doordat je onbewuste verwachtingen hebt bij een naam, ben je (soms zonder dat je het doorhebt) geneigd om je uiterlijk aan te passen op een manier die bij die naam past. De onderzoekers vonden ondersteuning voor dit idee in één van hun experimenten door te laten zien dat gedeeltes van het gezicht waarover je als individu controle hebt, zoals gezichtsbeharing, voldoende waren om het effect te laten plaatsvinden.

Toekomstige ouders, choose wisely! De naam die je kiest voor je kind zou diens leven op meer manieren kunnen beïnvloeden dan je misschien al dacht.

 

Maakt warmer weer je vrolijker?

Het zal je niet zijn ontgaan: het is deze week zomers warm in Nederland. Veel mensen ervaren dit als iets positiefs. Ik heb deze week al meerdere malen mensen horen zeggen: “Wat is het mooi weer hè!” Nederland maakt zich massaal op om tijdens Hemelvaart naar het strand te gaan of om met een biertje op een terras neer te ploffen. Maar maakt warmer weer je echt vrolijker? En geldt dat voor iedereen?

Warm weer = vrolijker?

In een recent onderzoek werd gekeken of zes verschillende weerfactoren (windkracht, zonlicht, neerslag, luchtdruk en licht-donker cyclus) samenhingen met het ervaren van positieve emoties (i.e., enthousiasme, inspiratie en vastberadenheid). Ondanks de algemeen heersende opvatting dat mensen vrolijker worden van warm weer, liet het onderzoek (op groepsniveau) geen verband zien tussen het weer en positieve emoties. Er werd echter wel een verband gevonden tussen het weer en negatieve emoties (zoals je geïrriteerd of prikkelbaar voelen):  een hogere temperatuur hing samen met meer negatieve emoties, terwijl windkracht en de hoeveelheid zonlicht zorgden voor minder negatieve emoties. Het is wel belangrijk om te noemen dat dit kleine effecten waren: het weer had slechts in lichte mate invloed op iemands gemoedstoestand. Samengevat maakt warm weer mensen over het algemeen dus niet blijer; en in de zomer kan een hogere temperatuur zelfs zorgen voor meer negatieve emoties – ook al zijn er aanwijzingen dat mensen in de lente juist wel blijer worden van hogere temperaturen. Een lichtpuntje tijdens warme zomerdagen: zonlicht en wind kunnen de hoge temperaturen dragelijker maken.

Tegenintuïtief

Als er geen verband bestaat tussen warm weer en positieve emoties, hoe komt het dan dat de algemene opvatting is dat je van warm weer gelukkiger wordt? Onderzoekers dragen hiervoor twee verklaringen aan. Ten eerste, zo stellen ze, zou het zo kunnen zijn dat deze opvatting een overblijfsel is van ons verleden, waarin mensen veel afhankelijker waren van het weer (bijvoorbeeld voor het zoeken van voedsel of onderdak). Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat er een klein groepje mensen is (bijvoorbeeld mensen met winterdepressies) dat een erg sterk verband ervaart tussen het weer en hun emoties. Mogelijk maakt hun vrolijkheid tijdens deze periode veel indruk op anderen omdat ze hun geluk wel van de daken willen schreeuwen. Toch suggereert onderzoek dat er minstens evenveel mensen zijn die zich in deze periode juist ongelukkiger voelen dan in de koudere seizoenen.

Individuele verschillen

Uit het voorbeeld van winterdepressie blijkt dat er grote verschillen kunnen zijn tussen personen in hoe zij de invloed van het weer op hun emoties kunnen ervaren. Hoewel het nuttig is om te weten of het weer over het algemeen (bijvoorbeeld bij alle Nederlanders) invloed heeft op emoties, neemt dit niet weg dat er binnen zo’n groep verschillen kunnen zijn in hoe dit wordt ervaren. Uit onderzoek is inderdaad gebleken dat er grote verschillen zijn tussen personen in hun gevoeligheid voor het weer, met name met betrekking tot de dag-nacht cyclus. Onderzoekers hebben daarom gekeken of deze individuele verschillen in gevoeligheid verklaard konden worden aan de hand van geslacht, leeftijd, of persoonlijkheid (bijvoorbeeld hoe extravert je bent, of in hoeverre je openstaat voor nieuwe ervaringen). Zij vonden echter geen bewijs dat individuele verschillen weers-gevoeligheid door deze factoren verklaard kon worden. Een interessante vraag voor de toekomst is dan ook: wat zorgt er voor dat personen hetzelfde weer heel verschillend kunnen ervaren?

Toch naar buiten?

Is er dan helemaal geen verband tussen warm weer en je humeur? Zo simpel is het (gelukkig) niet. Hoewel het weer mogelijk niet direct zorgt voor een positieve gemoedstoestand, is er wel bewijs dat buiten wandelen en tijd doorbrengen in de natuur samenhangt met minder piekeren, meer creativiteit en andere mentale voordelen. Omdat we met warm weer meer geneigd zijn om tijd buiten in de natuur door te brengen, kan het warme weer op die manier toch een positieve invloed hebben op je mentale gesteldheid. Ik zou dan ook zeggen: ga morgen lekker naar het strand, maak een wandeling in de natuur of ga met een bootje het water op en geniet! Make hay while the sun shines!

StockSnap_5I2ES0XM4B

 

 

Doe ik (het) wel (goed) genoeg?

De eerste vier maanden van mijn promotie-traject zitten er zo’n beetje op. Twee vragen die ik mezelf meerdere malen gesteld heb tijdens deze maanden zijn: Maak ik eigenlijk voldoende voortgang? En doe ik het goed genoeg?

Twijfel

Eén van de mooie dingen van een promotie-traject vind ik dat het een heel persoonlijk leerproces is. Hoe het traject verloopt is heel verschillend afhankelijk van het onderwerp, de persoon die dit onderwerp bestudeerd en welke taken er allemaal binnen iemands promotietraject vallen. Omdat het traject voor iedereen zo verschillend is, zijn er geen van tevoren vastgestelde guidelines die je kunt volgen om te kijken of je op de goede weg zit. Dit leverde bij mij twijfel op: heb ik (het) wel (goed) genoeg gedaan in de afgelopen vier maanden?

Schijn bedriegt? Twijfelen en het Impostor Syndrome

Ik ben zeker niet de enige die weleens twijfelt aan haar prestaties: van actrice Emma Watson tot zanger Chris Martin, er talloze mensen die er soms moeite mee hebben om te geloven dat ze competent genoeg zijn. Binnen de psychologie is er een naam bedacht voor dit verschijnsel: het impostor syndrome (of in het Nederlands: bedriegerssyndroom). Mensen die last hebben van dit fenomeen hebben er moeite mee om hun prestaties te internaliseren en hebben het gevoel dat ze tekortschieten en hun succes niet verdienen. Ze hebben het gevoel een soort bedriegers te zijn, die hun prestaties niet aan zichzelf maar bijvoorbeeld aan geluk of toeval te danken hebben. Dat het impostor syndrome veel voorkomt in de wetenschap zal je misschien niet verbazen: de wetenschap is een competitieve wereld waarin banen niet voor het oprapen liggen en waar nog steeds veel vooroordelen bestaan over hoe een (goede) wetenschapper eruit ziet (blank en mannelijk bijvoorbeeld). Dat deze vooroordelen nog altijd van kracht zijn merkte ik toen ik  enkele weken geleden onderzoek ging doen op een middelbare school: men verwachtte duidelijk niet dat de onderzoeker een relatief jonge (en niet heel lange) vrouw zou zijn – leraren die vragen hadden over het onderzoek  benaderden vaak eerst de mannelijke bachelorstudent die als onderdeel van zijn scriptie hielp met het verzamelen van data. Dat sommige wetenschappers niet serieus genomen worden op basis van hun geslacht of huidskleur, in combinatie met een competitieve wereld waarin zelfs de beste wetenschappers te maken krijgen met afwijzingen van artikelen en beursaanvragen, maakt het niet verwonderlijk dat sommige wetenschappers twijfelen aan hun competentie.

Voorbij de twijfel: manieren om je voortgang en competentie te controleren

Twijfelen aan prestaties is dus voor veel mensen een bekend probleem. Maar hoe kun je je voortgang en competentie controleren op een manier die je twijfel wegneemt?

Tip 1: (Stoppen met) Vergelijken

Een voor de hand liggende, maar niet optimale manier om je voortgang te controleren is door jezelf te vergelijken met anderen in een soortgelijke situatie. Hoewel praten met anderen over hun voortgang jou kan motiveren en inspireren om door te bijten op lastige momenten; en je misschien zelfs tips kan opleveren om die hordes op een bepaalde manier te nemen, kan het nadelige gevolgen hebben als je jezelf teveel vergelijkt met anderen. Zeker tijdens promotie-trajecten of andere processen die heel individueel zijn en sterk beïnvloed worden door je persoonlijkheid heeft het niet altijd zin om jezelf met anderen te vergelijken: er leiden vaak vele wegen naar Rome. Lijkt het erop dat iemand veel verder is dan jij bent? Mogelijk doet diegene dingen op een andere manier of in een andere volgorde, maar dat hoeft niet te betekenen dat die andere manier voor iedereen beter is of dat jij achterloopt op schema. Tijd dus om te stoppen met het vergelijken van jezelf met anderen: grote kans dat  jouw unieke talenten, vaardigheden en persoonlijkheid zullen leiden tot een proces en eindproduct waarover jij ownership hebt; juist wat jij van het proces hebt geleerd en in het eindproduct hebt gelegd maakt het bijzonder. Tip tegen twijfel: schrijf eens op wat tot nu toe tijdens het proces jouw talenten en leermomenten zijn geweest. Hoe hebben ze het proces en eindproduct beïnvloed?

Tip 2: Bespreek je voortgang met begeleiders, vrienden of familie

Het kan heel lastig zijn om te bedenken wat jouw talenten zijn, zeker op een dag waarop je niet al te veel vertrouwen hebt in eigen kunnen. Grote kans dat anderen jou kunnen helpen om de twijfel weg te nemen. Tip tegen twijfel: vraag eens aan andere mensen, zoals begeleiders, partners, vrienden of familie hoe ze jouw voortgang en competentie beschouwen. Het zou zo maar kunnen dat zij bewondering hebben voor vaardigheden of voortgang waar jij nog helemaal niet bij stil had gestaan: bijvoorbeeld hoe goed je je werk kunt combineren met je gezin, dat je heel secuur kunt werken, of dat je schrijfvaardigheden enorm zijn verbeterd ten opzichte van vorig jaar.

Tip 3: Een werkdagboek bijhouden

Een derde manier om voortgang en competentie te controleren is door middel van een werkdagboek: schrijf eens op wat je elke dag of week hebt gedaan (om dichter bij een bepaald doel te komen, zoals promoveren). Dat dit goed kan werken merkte ik tijdens een cursus over project-management die ik vorige week bijwoonde: pas toen ik ging opschrijven wat ik de afgelopen vier maanden allemaal had gedaan, realiseerde ik me hoeveel werk ik had verzet en hoeveel ik in de tussentijd had geleerd. Het bijhouden van een werkdagboek kan ook nog eens helpen bij time-management, omdat het je inzicht geeft in je werkuren en antwoord geeft op vragen als: werk je te veel, of juist te weinig? Welke werkzaamheden kosten je veel tijd, en welke heb je zo af?

doubt-479567_1920

No doubt!

Bovenstaande tips hebben allemaal met elkaar gemeen dat ze je helpen om je voortgang en competentie te evalueren door middel van vergelijkingen met (eerdere versies van) jezelf in plaats van anderen. Hoewel ze bij mij helpen om twijfel weg te nemen, zou dat bij jou anders kunnen zijn. Of wie weet heb jij wel een hele andere manier om twijfel weg te nemen! Op welke manier verminder jij twijfel over voortgang of competenties? Of ervaar jij dit alles op een hele andere manier? Laat het me weten in de comments!

Wat kun je leren van werken met kinderen?

Als ontwikkelingspsycholoog krijg ik in mijn onderzoek veel te maken met kinderen. Hoewel dit behoorlijke uitdagingen kan opleveren – ‘Hoe zorg ik er in hemelsnaam voor dat een actief en beweeglijk kind 60 minuten stil ligt in een MRI scanner?!’ – kan het werken met kinderen ook zorgen voor nieuwe inzichten, perspectieven en vaardigheden. In deze blog leg ik jullie uit wat je kunt leren van werken met kinderen en welke vaardigheden je hierdoor kunt ontwikkelen.

Creativiteit

Werken met kinderen kan op twee manieren bijdragen aan je creativiteit. Ten eerste vraagt het soms heel wat out-of-the-box denken van je! Als je bijvoorbeeld onderzoek doet met jonge kids betekent dit vaak dat je niet zonder meer aan de slag kunt gaan met bestaande experimenten. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat de kinderen de oorspronkelijke experimenten niet begrijpen omdat ze te complex zijn, of omdat ze ervoor moeten kunnen praten of lezen. Creatieve oplossingen, zoals gebruikmaken van poppen en knuffels, kunnen ervoor zorgen dat je ingewikkeld gedrag, zoals redeneren of sociale evaluatie, toch kunt bestuderen in kinderen. Ten tweede zijn kinderen vaak zelf heel creatief! Geef een kind een potlood, en voor je het weet doet het tijdens het spelen dienst als vliegtuig, toverstaf of zwaard. Het zien van deze creativiteit in kinderen kan ertoe bijdragen dat je zelf ook out-of-the-box gaat denken en op zoek gaat naar nieuwe manieren om met situaties om te gaan.

Positief denken, enthousiasme en nieuwsgierigheid

Volwassenen maken zich vaak zorgen om van alles en nog wat. ‘Wat zouden anderen van me vinden als ik dit deed?’, ‘Is dit een domme vraag om te stellen?’, ‘Kan ik dit wel?’ Het is heel verfrissend om te zien dat jonge kinderen minder van dit soort remmingen ervaren, maar zich in plaats daarvan laten leiden door hun enthousiasme en nieuwsgierigheid. Dit zorgt er voor dat kinderen in korte tijd heel veel kunnen leren van hun omgeving. Met hun ongedwongenheid plaatsen kinderen je met beide benen op de grond, en laten ze je zien dat je problemen vaak minder dramatisch zijn dan je in eerste instantie dacht. Op deze manier kan werken met kinderen je eraan herinneren om positief en vol enthousiasme te denken over nieuwe uitdagingen, wat er vervolgens weer toe leidt dat meer van je uitdagingen leert en dat de kans groter is dat je ze tot een goed einde kunt brengen.

Communiceren en geduldig zijn

Werken met kinderen: het dwingt je ertoe om goed na te denken over je communicatie. Wanneer je kinderen iets uitlegt is het van groot belang dat je je boodschap op hen kunt aanpassen, en dat deze duidelijk en begrijpelijk is. Grote kans dat deze skill ook van pas komt tijdens jouw werk: of je nou iets moet schrijven, presenteren, of iemand anders moet overtuigen, alleen als het je lukt om je boodschap af te stemmen op de ontvanger zul je een grote impact kunnen hebben. Een andere belangrijke vaardigheid tijdens het werken met kinderen is geduld. In het onderzoek betekent dit bijvoorbeeld dat je er rekening mee kunt houden dat een kind er langer over doet om een tekst te lezen dan een volwassene. Het oefenen van geduld is iets wat je in de rest van je leven veel voordeel op kan leveren: zo is het gelinkt aan academisch succes, een betere gezondheid, en betere sociale contacten.

Flexibiliteit

Hoe goed je plannen en schema’s ook zijn, de kans is groot dat kinderen die planningen volkomen door de war gooien. Als je bijvoorbeeld MRI-onderzoek doet met jonge kinderen kan het maar zo zijn dat een deelnemer die MRI-scanner hartstikke spannend vindt en wat meer tijd nodig heeft om gerustgesteld te worden. In dat opzicht leert werken met kinderen je om flexibel te zijn: je leert om snel oplossingen te verzinnen voor veranderlijke situaties.

Wat denk jij?

In deze blog heb ik enkele voorbeelden genoemd van wat je kunt leren van werken met kinderen. Deze lijst was natuurlijk niet uitputtend, en daarom ben ik ontzettend benieuwd: Wat heb jij geleerd van (werken met) kinderen? Op welke manier heb je daar profijt van tijdens je huidige baan? Laat het me weten in de comments! 🙂

Dank aan Jochem Spaans, Sibel Altikulaç, Mara van der Meulen en Michelle Achterberg voor hun input!

Mijn eerste maand als PhD-kandidaat: Een terugblik

Mijn eerste maand als PhD-kandidaat zit er inmiddels op. Ik vertel je graag hoe ik die eerste maand heb beleefd.

Druk, druk, druk..

Het eerste wat opvalt als ik terug denk aan de afgelopen maand is hoeveel ik eigenlijk al heb gedaan en meegemaakt. Aan het begin van januari dacht ik nog dat mijn eerste maand vrij rustig zou zijn, maar mijn agenda laat toch echt een ander verhaal zien. Hierbij een greep uit de dingen die ik heb gedaan:

1. Een promotie bijgewoond!

Op 12 januari vond de promotieplechtigheid plaats van iemand uit het Brain and Development Research Center, de onderzoeksgroep waar ik ook deel van uitmaak. De verdediging van een proefschrift is een hele bijzondere gebeurtenis om mee te maken, en misschien nog wel meer als je je beseft dat je daar zelf over 4.5 jaar ook staat. In dit filmpje zie je hoe zo’n promotieplechtigheid in Leiden in zijn werk gaat. Wat ik heel mooi vind aan de promotie-ceremonie in Leiden is hoe traditioneel het is: door de locatie, de Pedel en de uitdossingen van de commissie voelt het tegelijkertijd feestelijk en statig. Zo’n promotie is enerzijds de viering van iemands proefschrift (en harde werk), maar laat ook zien dat je in een traditie wordt opgenomen waarbij vele wetenschappers je voor gingen. Telkens als ik een promotieplechtigheid bijwoon (ze zijn vrij toegankelijk, dus grijp je kans!) valt het me op hoeveel de PhD-kandidaten in kwestie weten van hun onderwerp, en hoe goed ze in staat zijn om de (soms heel lastige) vragen van de commissie te beantwoorden. Ik hoop in de aankomende 4.5 jaar genoeg te leren om er ook zo bij te kunnen staan!

2. De introductie-bijeenkomst voor nieuwe PhD-kandidaten bezocht

Op 23 januari was er een bijeenkomst voor alle nieuwe PhD-kandidaten van Universiteit Leiden. Tijdens deze bijeenkomst kregen we als kersverse promovendi verschillende tips en handvatten aangereikt die ons kunnen helpen tijdens ons promotie-traject. Zo kregen we een introductie over Universiteit Leiden, voerden we discussie over de ethische kwesties die er komen kijken bij het onderzoek doen (bijv. plagiaat, data-fabricatie, omgaan met publicatiedruk), kregen we een rondleiding door het Academiegebouw (erg leuk!), en kregen we tips over omgaan met tegenslagen die je tijdens je PhD-traject kunt tegenkomen. Maar wat misschien wel het leukste was van de hele bijeenkomst: tijdens de koffie-pauzes, het diner, maar ook tijdens de meer inhoudelijke programma-onderdelen kregen we steeds de gelegenheid om andere PhD-kandidaten te leren kennen. Ik vond het erg leuk om te horen hoe andere mensen die zich in hetzelfde schuitje bevinden aankeken tegen (de start van) hun promotie-traject.

3. Lab Visit in Tilburg

Op 24 januari vertrok ik samen met collega-promovendi en onderzoeksassistenten uit onze onderzoeksgroep richting Tilburg voor een VNOP (Vereniging voor Nederlandse Ontwikkelings-Psychologen) Lab Visit. In andere woorden: een kijkje in de keuken van de ontwikkelingspsychologen in Tilburg: Hoe ziet hun gebouw eruit? Wat voor onderzoek doen ze? Kunnen ze ons nieuwe onderzoekstechnieken bieden? Door middel van workshops konden de onderzoekers uit Tilburg laten zien wat ze in huis hebben. Ik heb een workshop bijgewoond over Narrative Identity (hoe je informatie over het zelfbeeld van mensen kunt halen uit verhalen die ze vertellen of schrijven) en over de do’s en don’ts van publiceren. Tijdens deze laatste workshop kreeg ik allerlei tips over het publiceren van wetenschappelijke artikelen: van het kiezen van een geschikt wetenschappelijk journal voor je artikel, tot hoe je  het beste met de betrokken mensen om kunt gaan; heel nuttig! Verder was er ook bij dit evenement veel gelegenheid om nieuwe mensen te leren kennen; een mooie kans om mijn netwerk uit te breiden. Om de dag af te sluiten zijn we met een aantal collega’s uit eten geweest: een gezellige afsluiting van een leuke en leerzame dag.

4. En nog veel meer..

Er was nog veel meer te doen in januari! Zo heb ik veel meetings bijgewoond, waaronder labmeetings (twee-wekelijkse bijeenkomsten van onze onderzoeksgroep waarin iemand zijn of haar onderzoek presenteert en wordt voorzien van feedback), social-neuroscience meetings (bijeenkomsten waarin onderzoekers van sociale psychologie, cognitieve psychologie en ontwikkelingspsychologie van Universiteit Leiden van gedachten wisselen over hoe biologische processen ons sociale gedrag beïnvloeden; bijvoorbeeld welke rol de hersenen spelen in het tot stand komen van egoïstisch en altruïstisch gedrag), en meetings met mijn supervisors om de voortgang van mijn promotietraject te bepalen en onderzoeksprojecten te plannen.

Een vooruitblik

Alle tekenen wijzen er op dat ik in februari weer veel leuke dingen te doen heb! Zo ben ik begonnen met schrijven aan mijn eerste artikel (over de ontwikkeling van vertrouwen en het teruggeven van dit vertrouwen in de adolescentie), ben ik begonnen met het geven van onderwijs (ik begeleid zes studenten tijdens het schrijven van hun bachelorscriptie), ben ik druk bezig met het voorbereiden van mijn eerste data-verzameling (het uitvoeren van een onderzoek op middelbare scholen), en zal ik volgende week een poster-presentatie houden. Daarnaast zal ik deze maand ook een Engelstalige blog schrijven voor Leiden Psychology Blog – ik verwacht dus snel weer van me te laten horen!